De ruïne Mathenesse

Foto Kastelenteam
Aan de oostzijde van de oude stad van Schiedam, op
de hoek van Broersvest en de Huis te Riviereweg, ligt
de bouwval van een zware bakstenen donjon uit de
tweede helft van de 13de eeuw. De rest van het
complex werd in 1351 gedeeltelijk afgebroken door de
burgers van Schiedam tijdens de Hoekse en Kabeljauwse
twisten.
Daarna werd het kasteel in bescheidener vorm
herbouwd, maar ten slotte in 1574 door brand
verwoest en vervolgens ontmanteld.
Op 26 maart 1258 stierf Floris, regent van Holland en
voogd over zijn neefje, de latere graaf Floris V, te
Antwerpen. De naaste bloedverwant van de nog geen
vier jaar oude Floris V was zijn tante Aleyd van Henegouwen.
Ze was getrouwd geweest met Jan van Avesnes,
die op 24 december 1257 was overleden, en had
vijf zoons. Als Floris V zou overlijden voor hij wettige
nakomelingen had, zou Aleyds oudste zoon Jan als
naaste mannelijke bloedverwant aanspraken op de
graafschappen kunnen maken. Aleyd trachtte intussen
zo stevig mogelijk voet binnen het graafschap te
krijgen, daarbij geholpen door haar tweede zoon, Floris
van Avesnes. Ze had hier reeds bezittingen, zoals haar
bruidsschat en goederen die zij van haar vader had
geërfd. In 1263 werd Aleyd echter uit Holland verdreven
en pas op 24 oktober 1268 kreeg zij haar rechten
en goederen terug. Bij het verdrag stond zij o.a. het
goed Coudenhove en de woning met het land te Nuwer
Scie af aan Floris V. Haar zoon Floris ontving echter op
dezelfde dag het goed aan de Schie in leen terug. Het
Huis te Revier, in het oosten van de nederzetting aan
de westzijde van de Schie, wordt voor het eerst
vermeld op 18 maart 1275, toen Aleyd de poorters van
haar nieuwe stad een aantal rechten gaf. Floris V had
intussen zijn neef Floris van Avesnes in
1272 benoemd
Hij bevat een gemakskoker. Van de
noordwesttoren zijn nog slechts drie muren
onderzocht, zodat alleen de maat van de oost-west
richting bekend is. Deze bedraagt ruim 85 m; de
muurdikte is bijna 1,40 m. Het zuidfront bestaat
eveneens uit een walmuur, waarvan een lengte van
bijna 30 m kon worden vastgesteld. Op een 25 m
ten oosten van de zuidwesttoren staat tegen deze
muur een gebouw van ruim 10 m lengte, de breedte
bedraagt 13 m. De muur bevat in het midden van
dit gebouw twee gemakskokers, wat erop wijst dat
het een verdieping heeft gehad. De ruimte onder de
bogen van de weergang is van het erachter liggende
vertrek gescheiden door een dunne muur. In de steun-beren
zijn hier doorgangen gemaakt, zodat een gang
wordt gevormd waardoor men langs de muur kon
lopen. Aan de zuidzijde eindigt de oostmuur tegen een
dwarsmuur van bijna 7 m lang, die naar het oosten 15
m buiten de walmuur uitspringt en waarop in zuidelijke
richting een tweede muur aansluit. Deze muur is ongeveer
12 m van de hoek verwijderd en mogelijk heeft
zich hier een poortgebouw bevonden. De toegang tot
het kasteel bevond zich hier nog in ieder geval in de
16de eeuw. De uitwendige maat tussen oost- en
westwalmuur bedraagt aan de zuidzijde 55 m. Daar
beide muren niet evenwijdig lopen, zal de maat aan de
noordzijde ongeveer 49 m hebben bedragen. In de
noordwesthoek staat vrij van de walmuur de grote
donjon, uitwendig 12 x 12 m, met op de begane grond
muren van 3 m dikte. De ruimte op de begane grond
was afgedekt door een tongewelf en heeft in het
midden van iedere wand een hooggeplaatste lichtopening
of schietsleuf, zodanig ingericht dat in de grote
nissen een boogschutter kon staan. Het schietgat in
de noordmuur is later gedicht, vermoedelijk in het
midden van de 14de eeuw, en vervangen door een
toegang naar de in die tijd tegen de toren gebouwde
noordvleugel. De oorspronkelijke toegang tot de donjon
bevindt zich in de noordwesthoek, halverwege de
eerste verdieping. De later verwijde deuropening die
nog aanwezig is, gaf toegang tot een trap die naar de
begane grond afdaalde, ten dele binnen de ruimte
langs de westgevel. In de dikte van de noordmuur
bevond zich een vijfde schietgat in de westmuur,
toegankelijk vanaf de trap. Deze sleuf is later verbouwd
tot muurtrap naar de verdieping in de 14de-eeuwse
vleugel. In de oostwand bevindt zich een verticale
koker die op de aanwezigheid van een gemak of
een waterput duidt. Tussen de bouw van de onder-bouw
van de donjon en de erboven gelegen verdieping
heeft een lange onderbreking gelegen. In die tijd is de
onderbouw sterk naar het noordwesten verzakt. Voordat
men met de verdieping begon, is er eerst een spie-vormige
opmetseling van enkele lagen aangebracht
om weer verticaal te kunnen bouwen. De oorzaak van
de verzakking is een noord-zuid lopend kreekje in de
ondergrond, waarvan de oeverwal van de binnenbocht
zich juist onder de oostmuur van de donjon bevindt en
de westelijke oever juist buiten de westelijke walmuur.De
bovenbouw is vrijwel zeker volgens het oorspronkelijke
bouwplan uitgevoerd, met in de naar het
binnenplein gerichte oost- en zuidgevels vrij grote
ramen, in de beide andere naar de walmuren gerichte
gevels kleinere. Het muurwerk is minder zwaar dan op
de begane grond (1,35 m) en de toegang bevindt zich
in de noordwesthoek boven de dikte van de er onder
gelegen westmuur. Deze hoek is thans ingestort, maar
op 17de-eeuwse afbeeldingen komt de gang nog voor.
Door de deuropening kwam men in een klein gemetseld
portaaltje dat toegang gaf tot een grotere kamer.
Het scheidingswandje tussen portaaltje en kamer is
omstreeks 1946 ingestort. In het portaal bevindt zich in
de oostwand een gemetseld nisje voor een kaars of
een olielampje. De toegangen tot de begane grond en
verdiepingen moeten langs wegneembare houten
bruggen via de noordwestelijke hoektoren, die zich
hier op bijna 2 m verheft, en de er op aansluitende
walmuur bereikbaar zijn geweest. In de zuidwesthoek
bevindt zich een buiten de toren uitgebouwd gemak,
aan de andere zijde van deze wand bevindt zich een
lavabo-nis met zandstenen gootsteen. De noordwand
heeft een stookplaats. Toen de noordwestelijke hoektoren
in 1351 geheel of gedeeltelijk doorde Schiedammers
was gesloopt, waren de woonvertrekken in de
donjon slechts via een hoge ladder bereikbaar en het is
begrijpelijk dat hertog Willem tijdens zijn verblijf in
Schiedam de voorkeur gaf aan het huis Weeldenburg.
De ruimte tussen de donjon en de walmuur aan de
oostzijde werd afgeschermd door een schildmuur zonder
stenen weergang. Hoe de situatie aan de zuidzijde
was, is niet duidelijk. Langs de oostzijde en de verbindingsmuur
met de wal lag een gracht, evenals langs de
zuidzijde. Mogelijk liep deze onder een of twee bogen
door naar de hoofdgracht.
Na 1304 moet het complex praktisch leeg gestaan
hebben en is mogelijk sinds 1340 weer in bewoonbare
toestand teruggebracht en tot 1345 bewoond. Van
1348-1350 kan er weer wat gebouwd en hersteld zijn.
In 1356 vond de herbouw van Daniël de Mathenesse
plaats volgens een bouwplan dat zich beperkte tot de
noordwesthoek die reeds een eigen omgrachting had.
Tegen de noord- en westzijde van de donjon werden
twee woonvleugels opgetrokken. De noordvleugel was
inwendig 6,5 x 14,3 m groot. In de noordoosthoek
bevond zich een waterput. De zuidvleugel bevatte een
ruimte van 4 x 9% m. In de zuidgevel had dit vertrek een
schouw en aan de westzijde enige lichtopeningen,
zoals uit het in 1574 in de gracht omgetrokken muurwerk
bleek. Verder was er in de noordwesthoek een
cirkelvormig bouwsel, waarover de meningen uiteenlopen
(volgens Hoek een broodoven, volgens Renaud
een wenteltrap). (Kastelenteam hangt de mining
van Renaud aan)
De noordvleugel had een schouw aan de westzijde,
waarvan een zandstenen wang, versierd met een
gebeeldhouwde kop, is teruggevonden. Dit fragment
dateert uit de 15de eeuw.
Bronvermelding
- Cobouw 4 april 1958.
- Trouw 9 januari 1975.
- De Rotterdammer 27 november 1939. 4-
- Kastelengids van Nederland; Kransberg en Mills, blz. 160.
- Liber Castellorum; C. Hoek, blz.
- 1574 Huis Riviere.
- P. Alles dia‘s 1986.