Burcht te Leiden

De motte burcht van Leiden
De Leidse Burcht is een prachtig voorbeeld van een
motte-kasteel, een sterkte op een kunstmatig opge- worpen heuvel. De
waarschijnlijk in het midden van de 12de eeuw gestichte burcht te Leiden
bestaat uit een vrijwel cirkelvormige ringmuur op de vlakke top van de
heuvel, met een weergang op pijlers en bogen. Achter de huidige ingang
uit 1653, stond oorspronkelijk een vierkante woontoren, met rechts
daarvan een waterput. De toenmalige ingang lag aan de andere zijde
(kleine poortje).
De burcht ligt in de stad aan de Burgsteeg 14, achter
een 17de-eeuwse neo-gotische voorpoort. In een oorkonde van de graaf van
Holland uit 1156 komt een Alwinus Casteilanus voor die de functie van
burggraaf te Leiden heeft, en het is zeer goed mogelijk dat hij de zorg
had voor de Leidse burcht, de ringmuur en de woontoren op de motte. Een
oorkonde uit 1167 noemt een Elinand als burggraaf, aanwezig bij het
sluiten van een verdrag tussen graaf Filips van Vlaanderen en graaf
Floris 111 van Holland. (meerdere namen bekend bij ons over dit
verdrag)
Van 1202 tot 1241 treffen wij in de documenten een
burggraaf Jacob aan, mogelijk tot het geslacht Bokel behorend en
misschien gehuwd met een jonkvrouwe van Teylingen. In 1203 stierf graaf
Dirk VII van Holland.
Zijn dochter Ada was gehuwd met graaf Lodewijk van Loon, die nu
aanspraken op het graafschap maakte, maar dat deed Dirks broer Willem
eveneens.
Deze werd gesteund door de machtige edelen van het graafschap, waaronder
de Egmonds, de Wassenaers en de Teylingens. Bovendien stonden ook de
Kennemers (Wouter van Egmond en Albert Banjaert, van Teylingen) en de Zeeuwen aan zijn zijde. De Kennemers verdreven Lodewijk
en Ada uit Haarlem, waarop de jonge gravin naar de Burcht te Leiden
vluchtte.
Deze wordt hierbij voor het eerst in de geschiedenis vermeld. De
Kennemers trokken nu naar Leiden 'ende stormden dat Casteel van Leyden
myt scutte ende myt slingeren ende myt anderen instrumenten, aen den
tynnen ende aen den toerne soe dat deze voirsz Ridders mosten hem van
node opgheven dat Casteel.'
Daarna versterkten zij zich op de burcht, maar het jaar
daarop werden ze bij een uitval verslagen. Het heeft er alle schijn van
dat het burggraafschap onder Jacob erfelijk is geworden, want toen hij
overleed, kwam het ambt aan zijn dochter.
Zij liet het waarnemen door haar man, heer Dirk van Cuyck. Zij werden in
1266 opgevolgd door hun zoon Hendrik, die vanaf 1285 voorkomt als
ridder. Hij trouwde met Halewine, dochter van Willem van Egmond, en werd
opgevolgd door zijn zoon Dirk in 1319. Deze bekleedde het ambt van
burggraaf tot 1339. Zijn dochter Alverade huwde met Dirk van Wassenaer
en hun zoon Philips van Wassenaer kocht het burggraafschap in 1340.
Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten kregen de Van Wassenaers
problemen met hertog Albrecht, die op alle goederen van de burggraaf
beslag liet leggen. Pas in 1387 werd alles teruggegeven.
De Burcht had toen als versterking geen betekenis meer,
maar de macht van de burggraaf bleef toch aanzienlijk. Toen Leiden in
het begin van de 15de eeuw een Hoeks bolwerk was geworden, kwam er in
1420 een beleg door hertog Jan van Beieren. De stad moest zich overgeven
en de burggraaf verloor zijn politieke macht.
Het burggraafschap vererfde in de 16de eeuw op Jacob, graaf van Ligne.
Een van zijn nakomelingen, Claude Lamoral, prins van Ligne, viel tijdens
de slag bij Lens in handen van zijn vijanden.
Zijn familie moest een hoog losgeld betalen en om aan de benodigde
financiën te komen, verkocht men de Burcht, het burggraafschap, het
recht van gruit (ingrediënt voor bier) en van de markttol voor f 70000
aan de stad Leiden.
De gemeente Leiden is ook thans nog de eigenaresse van
van de Burcht. De motte van de Burcht van Leiden is opgeworpen op de westelijke punt van het eiland tussen de Oude Rijn en de Nieuwe Rijn. Om
de voet liep de burchtgracht, die gedeeltelijk nog op 18de- en 19de-
eeuwse kaarten voorkomt. De toegang naar het burchtterrein wordt gevormd
door een zandstenen poort, geflankeerd door twee neo-gotische
gekanteelde vierkante torens, vermoedelijk ontworpen door stadsarchitect
Willem van der Helm.
De leeuw boven de poort is uit 1662 en werd geleverd door Rombout
Verhulst. Hierna komt men bij een 18de-eeuws smeedijzeren hek onderaan
de motte.
Het hek staat tussen twee stenen pijlers uit de 16de eeuw die in 1653
van de Visbrug hierheen zijn gebracht. Een gemetselde trap voert de
heuvel op naar de ingangspoort van de ringmuur. Deze poort wordt omlijst
door de gebeeldhouwde wapenschilden van de burggraven die sinds 1651
door de stad werden aangesteld en het wapen van de stad zelf.
De ringmuur heeft een wat onregelmatig verloop. De middellijn
schornrnelt tussen 34,50m en 36,20m.
Het middeleeuwse loopvlak ligt ca. 12 m boven N.A.P. en
omstreeks 9 m boven de omliggende grond. De schildmuur en de pijlers
bestaan uit tufsteen. In de bogen van de weergang en de segmentbogen van
de schietnissen treft men baksteen aan: middeleeuwse zware
kloostermoppen.
Bij een restauratie rond 1660 is de gehele burchtmuur met weergang aan
de noordkant, rechts van de poort, vernieuwd. Hierdoor bestaat het
muurwerk hier bijna geheel uit metselwerk van na de middeleeuwen,
doorschoten met lagen oude, opnieuw gebruikte tufsteen.
Het muurwerk bestaat uit zg. vulmuren, de binnen- en
buitenkant van de muur bestaat uit regelmatig metselwerk en de ruimte
daartussen is opgevuld met brokken tuf- en baksteen in specie.
De dikte van de muur bedraagt nog geen meter. In de vulling werden
stukken Romeins bouwpuin aangetroffen, waarschijnlijk ondermeer
afkomstig van het castellum te Valkenburg of van dat van Roomburg.
Er zijn verschillende malen onderzoekingen in de Burcht gedaan: in 1889
werd de heuvel bestudeerd door Knuttel; in 1923 werd er door archeoloog
J.H. Holwer- da gegraven. Hij trof op een diepte van 2,5 m onder het
middeleeuwse oppervlak een woonniveau aan met keien en hout. Later bleek
dit als werkvlak gediend te hebben bij de bouw van de ringmuur, die maar
weinig in het oude oppervlak is ingegraven. Na de voltooiing van de muur
hebben de bouwers een laag van 70 cm gelige klei tegen de voet van het
muurwerk aangebracht. In 1949/1950 deed J:G.N. Renaud onderzoek.
Een puinspoor binnen de ringmuur tegen de tegenwoordige hoofdingang
leidde toen tot de conclusie dat hier een verdwenen vierkante toren
heeft gestaan. De in 1964 aangevangen restauratie gaf gelegenheid tot
nieuwe onderzoekingen die zich over vele jaren uitstrekten.
Aan de buitenzijde van de ringmuur werden hierbij resten van palen
aangetroffen ter hoogte van het oudste woonniveau, maar niet genoeg voor
een randpalissade. Duidelijk werd dat men bij de ophoging van de heuvel
veel zoden had gebruikt.
De vierkante woontoren is zover opgemetseld dat de vorm weer duidelijk
is. Oorspronkelijk heeft door deze toren geen doorgang gelopen. Ernaast
voerde een houten trap naar de weergang, en een kleine doorgang
tegenover de huidige hoofdingang was de oorspronkelijke toegang tot het
binnenplein. Deze kon afgesloten worden door een zware deur, die
gebarricadeerd kon worden met twee zware schotbalken. Aan de zuidkant
bevindt zich een privaat in de ringmuur. Rechts van de hoofdingang is
een waterput met een houten deksel. Voor de restauratie lag het loopvlak
van de burcht op gelijke hoogte met de onderkant van de nissen met de
schietgaten. Maar er kwam aan het licht dat het middeleeuwse oppervlak
in later tijd 80cm was opgehoogd. Deze grond is nu weer weggehaald, maar
om de bomen op het binnenplein te sparen, moest de ophoging rond de
stammen blijven liggen, met het gevolg dat deze bomen nu op een
heuveltje liggen.
update 18 januari 2007
Bronvermelding
- Leiden Dr. J.R. Oerle.
- Middeleeuwse kastelen van Nederland; P.E. van Reijen, blz. 9 -24-
29-61-140-145.
- Kastelengids van Nederland; Kransberg en Mills, blz. 154 - 156.
GRAVENSTEEN;
- Leidse krant 2 oktober 1964.
- De Lakenhal.
- N.K.S. Gravensteen 6 augustus 1958.
AFBEELDINGEN
- Diverse.
- 1711 Schijnvoet.
- P. Alles dia’s 1986.