
|
|
Kasteel Radboud of Huys te Medemblik
Om de geschiedenis van dit kasteel is een aantal legenden ontstaan, waarmee meestal de naam Radboud, de legendarische koning van de Friezen is verweven, zo zelfs dat het kasteel van Medemblik in de volksmond nog altijd de naam ‘Kasteel Radboud’ draagt. De werkelijkheid is daarbij vergeleken wel wat prozaïsch. Wel is ‘Medemolaca’ een koninklijk bezit geweest, er waren koninklijke tienden en er was zelfs ‘een munt’, met andere woorden: er werden munten geslagen. Ook was er een tol gevestigd, een teken dat de plaats van belang was voor het doorgaande handelsverkeer. Een koningsnaam komt er wel bij ter sprake, dat was echter geen koning Radboud, maar koning Otto. Koning Otto 111 was het die op 26 Juni 985 aan graaf Ansfried in volle eigendom gaf dat gedeelte van de tol, de munt en de cijns, die de graaf tot nu toe in leen had gehad in het koninklijk domein Medemblik. Men kan constateren dat er in het algemeen een sterke wisseling van gezagsdragers in de functie van baljuw, dijkgraaf en castelein van Medemblik heeft plaatsgevonden. Tijdens de expeditie van hertog Albrecht tegen de Oost Friezen (het huidige Friesland), hielden zijn vrouw en zijn schoondochter beurtelings op het slot te Medemblik en te Hoorn verblijf. . Het valt moeilijk te beoordelen of iemand een hoog of een laag salaris genoot. Tegenover het salaris van heer Jan van Bruelis, een echte ridder en neef van de graaf, ter grootte van 100 pond (1357) staat dat van Wouter van Gent: 450 Hollandse schilden jaarlijks, maar daarvoor moet hij dan ook het kasteel onderhouden (1404). Hoewel heer Dirk van Zandhorst, die castelein en schout van Medemblik was in de periode 1414 / 1419 en getrouwd was met de bastaardzuster van hertog Willem VI, viel hij bij diens (tijdelijke) opvolger, hertog Jan van Beieren, in ongenade. " Hi moest afstand doen van het casteleinschap en ling en 9 denariën aan herstellingen." Intussen (of daarna) was Jhr. Hartog van Rijswijk, een zoon van de vroegere functionaris Jhr. Cornelis, slotvoogd geworden (1606). De Staten deden op 1 Mei 1608 afstand van het slot dat in hun ogen alle belang verloren had en alleen maar geld koste. De stad Medemblik werd de gelukkige eigenaresse, die het een bestemming gaf als ‘schuttersdoelen’. Een opzichter moest het beheren voor 120 gulden jaarlijks. Zo af en toe vonden er veranderingen plaats: het slotplein werd in 1654 verhoogd en er kwam een hardstenen poort. Een vreedzame bestemming kreeg ‘de grote zaal’, die werd gebruikt voor het houden van kerkdiensten. Ds. Curtius preekte er voor het eerst op 25 Sept. 1661. De naam Oosterkerk kreeg het slot toen de klok uit de Oosterpoort van Medemblik daarheen was overgebracht. De vredelievende functie bleef gehandhaafd tot 1734, toen geen derde predikant meer nodig was en de Oosterkerk daarmee haar functie verloor. ‘Oorlog’ en ‘vrede’ wisselen
elkaar af. De grote zaal ging daarna weer de schutterskrijgsraad
herbergen en de officieren hielden er hun bijeenkomsten. Nog weer
later, in 1823, werd het slot ingewijd als vergaderplaats van het
departement Medemblik van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen. Het
Rijk verkreeg de restanten van het slot in 1889 in eigendom, waarna het
tussen 1890-1897 door Cuijpers gerestaureerd werd. Het gebouw werd daarna
bestemd voor de huisvesting van het kantongerecht. Dankzij onze
kastelenarcheoloog Prof. Dr. J.G.N. Renaud is het mogelijk iets over het
kasteel te zeggen. - Boekje N.K.S. - Kastelengids van Nederland: Kransberg & Mills, blz. - Middeleeuwse kastelen van Nederland: P.E. van Reijen, blz. 72 -82-84-86-93. - Merwaardige kastelen in Nederland: van Lennep, deel V blz. 79 -112. - Trefpunt, uitgave W.V.C. oktober 1985 blz. 11. - Elfde kastelendag te Medemblik, NKS boekje 1967, blz. 15 - 19. - Foto's P. Alles
|
© Het Hollandse Kastelenteam - alle rechten voorbehouden